Back

ⓘ Nederlandse landschappen



Nederlandse landschappen
                                     

ⓘ Nederlandse landschappen

De Nederlandse landschappen kunnen worden ingedeeld op verschillen in substraat, bodem, waterhuishouding en de ontginningsgeschiedenis.

Bij landschappen met weinig of geen menselijke beïnvloeding, spreekt men van natuurlandschap of wildernis. Menselijke beïnvloeding kan bestaan uit ingrijpen in de waterhuishouding, percelering en de ontsluiting door infrastructuur van het landschap en grondgebruik zoals beweiding, akkerbouw, bewoning. Hier spreekt men dan van cultuurlandschap.

Het strikte onderscheid tussen natuur- en cultuurlandschappen wordt door hedendaagse landschapsonderzoekers ter discussie gesteld. Vrijwel alle Nederlandse natuurgebieden zijn door menselijk ingrijpen tot stand gekomen en hebben zich onder invloed van menselijk medegebruik ontwikkeld. Met name halfnatuurlijke landschappen hebben vaak een grote natuurlijke en cultuurhistorische waarde.

                                     

1. Geologisch kader

Het grootste deel van het oppervlak van Nederland bestaat uit formaties van de Boven-Noordzee-groep. Alleen de lössafzettingen in het Limburgse heuvelland en de ondergrond van het Oost-Nederlands plateau zijn ouder. Rond 11.500 jaar geleden kwam er een einde aan de laatste ijstijd Weichselien van het Pleistoceen en brak het Holoceen aan, dat tot op heden duurt. Het zeeniveau steeg en het klimaat werd warmer. In tijden van transgressie van de zee werden, met name in de gebieden direct achter de duinen en strandwallen van Holland, Zeeland en Friesland moerassen, meren en lagunes gevormd. Er werd daar in open water zeeklei afgezet, terwijl zich in beschutte omstandigheden een metersdik hoogveendek ontwikkelde. Ook de zandgronden raakten gedeeltelijk bedekt met hoogveen. In de benedenloop van de grote rivieren werd rivierklei afgezet, terwijl zich stroomopwaarts rivierterrassen ontwikkelden. Tot de antropogene landschappen behoren de diepe droogmakerijen en de verstedelijkte gebieden.

                                     

2. Indelingen

De indeling in landschapstypes en de benaming daarvan is nogal aan veranderingen onderhevig. Historisch-geografen en cultureel-geografen hebben vaak kritiek op de neiging om de dynamiek van het landschap vanuit strakke kaders te beschrijven. Vanuit de overheid worden dergelijke indelingen echter gestimuleerd; ze worden vooral gebruikt voor de landschapsplanning en als instrument om het landschap als deel van het culturele en natuurlijke erfgoed te beschermen landschapsbescherming.

De landschapstypologie speelt een belangrijke rol bij het schrijven van landschapsbiografieen. Hieronder wordt "een levensloopbeschrijving van een steeds veranderend cultuurlandschap" begrepen. Het concept is ontwikkeld door archeoloog Jan Kolen, hoogleraar landschapsarcheologie en cultureel erfgoed te Leiden en de bodemkundige en historisch-geograaf Theo Spek, hoogleraar landschapsgeschiedenis te Groningen.

                                     

2.1. Indelingen Oudere systemen

Klassiek zijn de indelingen van het Nederlandse cultuurlandschap die de historisch-geograaf Hendrik Jacob Keuning in 1946 introduceerde. Keuning ging uit van een combinatie van fysisch-geografische kenmerken, bodemsoorten en ontginningstypes. Op grond daarvan onderscheidde hij ruim honderd regios, die weer aan de basis stonden van zestig regios die het Monumenten Inventarisatie Project omstreeks 1990 hanteerde. Deze indeling sloot aan bij de traditionele indeling van Nederland in landbouwgebieden die sinds de negentiende eeuw gangbaar was. Hij correspondeert tevens met de indeling in fysisch-geografische landschappen, zoals die in de Wetenschappelijke Atlas van Nederland uit 1987 werd gepubliceerd.

De Werkgroep Landschapstypologie ontwierp omstreeks 1989 een nieuwe indeling, die uitging van negen types cultuurlandschappen, min of meer samenvallend met de fysisch-geografische regios: kustzone, zeeklei-, laagveen-, zand- en rivierengebied, heuvelland, droogmakerijen, hoogveenontginningen en verstedelijkte zones, waarbij telkens deellandschapstypes voor verschillende regios van Nederland werden onderscheiden. In het Histland-project ontwikkelde men vervolgens een meer verfijnde indeling die uitging van elf ontginningsvormen of hoofdtypen onderverdeeld in 54 subtypen, die min of meer samenvielen met de landschapstypes waarin deze vormen het meest voorkwamen. Zo onderscheidde men oude en jonge zeekleigebieden klei, kamp- en heideontginningen zand, middeleeuwse veenontginningen en recentere veenkolonien veen, stroomrug-, kom- en rivierterrasontginningen rivieren en lössontginningen heuvelland.

Provinciale en gemeentelijke overheden hanteren vaak een eigen typologie die van de algemene indelingscriteria afwijkt, bijvoorbeeld omdat men behalve landschapskenmerken ook nederzettingstypologieen hanteert. Zo vinden we in Overijssel de termen essenlandschap, kampenlandschap, maten- en flierenlandschap beekdalen, klei-ontginningslandschap broeklanden, kraggenlandschap trilveen met petgaten en oeverwallandschap. In Drenthe onderscheidt men esdorpen, esgehuchten, ontginningskolonien, randveen-, laagveen- en hoogveenontginningen. Noord-Holland kent een veenrivierlandschap Vechtstreek; Friesland en Groningen hebben een klei-op-veen-landschap of miedenlandschap een streekdorplandschap; Zeeland een poelen- en kreekruggenlandschap.



                                     

2.2. Indelingen Panorama landschap 2019

De nieuwste indeling, die door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wordt gehanteerd in het project Panorama Landschap 2019, gaat uit van 26 hoofdlandschappen, 45 landschapszones en 78 regios. De indeling sluit min of meer aan bij de eerder opgestelde archeologische landschappenkaart. De landschapszones baseren zich vooral op fysisch-geografische kenmerken.

Hierbij zijn de zand- en zeekleigebieden en het heuvelland op grond van fysisch-geografische eigenschappen in een aantal afzonderlijke hoofdlandschapstypes uiteengevallen, terwijl de Rijn-Maasdelta een nieuw hoofdtype is geworden dat zowel rivierklei- als veengebieden omvat. Nieuw in deze indeling zijn ook de terrassenlandschappen langs Maas en Rijn, die eerder gedeeltelijk tot de zandlandschappen werden gerekend; samen met het eigenlijke Maasdal vormen ze de Maasvallei. De recente hoogveenontginningen zijn gereduceerd tot landschapszones binnen de zandgebieden. De overgangsgebieden met het Duitse Münsterland, de Nederrijnse Laagvlakte en de Ardennen kregen een afzonderlijke plek binnen deze indeling. De maritieme landschappen of seascapes zijn daarentegen buiten schot gebleven.

                                     

2.3. Indelingen Duitsland en Belgie

De Nederlandse indeling in landschapstypes sluit - dankzij Keuning - min of meer aan bij het Duitse achterland, met name in Nedersaksen en Sleeswijk-Holstein waar eveneens de trits klei Marsch, veen Moor en zand Geest wordt gehanteerd. Rivierkleigebieden worden doorgaans als Flussmarschen betiteld, lösslandschappen als Börden. Het Oost-Nederlands plateau rond Winterswijk is nauw verbonden met het Krijtbekken van Münster Westmünsterland, het terrassenlandschap met het landschap van de Nederrijnse Laagvlakte, het heuvelland met de Jülicher Börde, het Ardennenvoorland met het Eifelgebied.

Corresponderende landschapstypes in Belgie zijn de Vlaamse Kustvlakte met de Kustpolders en Scheldepolders zeeklei, de Zandstreek en de Kempen zand, Schelde-, Nete- en Maasbekken rivierenlandschap, Maasvallei terrassen en Entre-Vesdre-et-Meuse met het Land van Herve heuvelland en Ardennenvoorland.

                                     

3. Landschapstypes

Voor de overzichtelijkheid wordt hieronder een aangepaste indeling gehanteerd, waarbij in het midden gelaten wordt of droogmakerijen, terrassenlandschap en Ardennenvoorland als afzonderlijke hoofdlandschapstypes moeten worden gezien.

                                     

3.1. Landschapstypes Maritiem landschap

Het maritieme landschap kan als volgt worden ingedeeld:

                                     

3.2. Landschapstypes Duin- en strandwallenlandschap

Dit hoofdlandschapstype kent de geologische zones hoge duinen, strandwallen en lage duinen en strandvlakten.

Voor de kust werden in de eerste transgressieperiode van het Holoceen strandwallen gevormd: de oude duinen. Tijdens eb stonden de strandwallen droog en kon het zand door de wind worden opgewaaid tot duinen. Deze duinen konden tot 15 meter hoog worden. In de tweede regressieperiode waren veel oude duinen door de zee weggeslagen. Nadat het zeeniveau in de tweede transgressieperiode weer steeg, herhaalde het proces van duinvorming zich zoals dat bij de oude duinen gebeurd was. De jonge duinen werden tot wel enkele tientallen meters hoog en vormen nu nog steeds een groot deel van de kust langs de Noordzee.

Tot het duin- en strandwallenlandschap behoren onder andere de Duin- en Bollenstreek, Kennemerland en de Waddeneilanden.

                                     

3.3. Landschapstypes Diepe droogmakerijen

Dit type kent twee geologische landschapszones, namelijk voormalige wadden en voormalige Zuiderzeebodem. Deze vallen samen met de hoofdlandschappen:

  • Zuiderzeepolders of nieuwe droogmakerijen Flevoland, Noordoostpolder en Wieringermeer
  • oude droogmakerijen. Deze ontstonden door het droogmalen van diepe veenplassen, waar zich - in tegenstelling tot de veenpolders - geen veen of zand, maar oude zeeklei op de bodem bevond. Ook Friesland en Groningen hebben enkele droogmakerijen.
                                     

3.4. Landschapstypes Rivierenlandschap

Het landschap langs de grote rivieren bestaat grotendeels uit een afwisseling van stroomruggen en komgronden of overstromingsvlakten, ook wel rivierkleilandschap genoemd. De stroomruggen liggen op de plekken waar een rivier stroomde en bestaan uit een ondergrond van grover sediment zand en zavel. De komgronden stonden alleen tijdens overstromingen onder water en bestaan uit fijne rivierklei. Deze zware, ondoorlatende klei is veel minder geschikt voor de landbouw dan de stroomruggen. De hoger gelegen stroomruggen zijn de plaatsen waar de bewoning zich vroeger concentreerde. Op deze ruggen kan vaak tuinbouw worden gevonden zoals de fruitteelt in de Betuwe. De vroeger natte, slecht toegankelijke en niet bewoonde komgronden kenden in het verleden eendenkooien en hooiland. Tegenwoordig zijn ze in gebruik als weilanden voor de veeteelt. Rond de rivieren bevinden zich uiterwaarden, in het Maasdal ook hoge grindkoppen, die deels zijn vergraven. De centrale riviervlakte wordt soms onderscheiden van de meer kleinschalige reliefinversiegebieden langs de Kromme Rijn, Oude Rijn en Utrechtse Vecht. Belangrijke delen van de Rijn-Maasdelta, met name in Zuid-Holland, bestaan uit ontgonnen veenvlakten die ook wel tot de veenlandschappen worden gerekend.

Het rivierkleilandschap kan worden onderverdeeld in:

  • Midden-Nederlandse laagveen- of veenweidegebieden
  • Rijn-Maasdelta
  • Midden-Nederlands rivierengebied
  • Maasdal
  • IJsseldal


                                     

3.5. Landschapstypes Terrassenlandschap

Het oostelijke rivierengebied oftewel de Maasvallei wordt omzoomd door Lage en Hoge Rijnterrassen, Maasterrassen en stuwwallen, die vanouds gedeeltelijk tot het zuidelijke zandgebied, maar tegenwoordig tot afzonderlijke landschapstypes worden gerekend. Bodemkundigen speken over oude rivierkleigronden uit het Allerod-interstadiaal. Het terrassenlandschap vormt een overgangsgebied met restgeulen, rivierduinen, terrassen, plateaus, hellingen en dekzandgebieden.

  • Maasterrassen
  • lage Rijnterrassen
  • hoge Rijnterrassen
                                     

3.6. Landschapstypes Veenlandschap

Veenlandschappen, laagveen- of veenweidegebieden worden gevonden in het westen van Nederland delen van de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht en in het noorden, met name in Drenthe, Zuidoost-Friesland en de Kop van Overijssel. Tot ver in de 20e eeuw meende men dat deze laagveenlandschappen er al sinds mensenheugenis zo bijlagen; in werkelijkheid gaat het om verdronken hoogveenlandschappen. Net als andere middeleeuwse hoogveenontginningen hebben ze doorgaans een slagenverkaveling een lintbebouwing, en kenmerken zich door het toponiem woud of wold, hetgeen voor een voormalig hoogveengebied of moerasbos staat. De bovenste laag hoogveen is in de meeste gevallen door ontwatering, inklinking en erosie verdwenen.

Vanaf de zestiende eeuw werd het resterende veen grootschalig afgegraven en opgebaggerd om als brandstof te gebruiken vervening. Het baggeren gebeurde in stroken, die tegenwoordig nog in het landschap te herkennen zijn. Op sommige plekken werd het veen tot ver onder de waterspiegel verwijderd, zodat er ondiepe meren of veenplassen ontstonden, zoals de Loosdrechtse Plassen, de Vinkeveense Plassen, de Weerribben en de Wieden; om die reden sprak men ook wel over het veenplassengebied. In het Friese en Overijsselse veengebied heeft men deze plassen vanaf het einde van de achttiende eeuw drooggemalen. Hierdoor ontstonden ondiepe droogmakerijen of veenpolders, die soms tot het afzonderlijke landschapstype van de droogmakerijen worden gerekend.

De belangrijkste geologische landschapszone betreft de voormalige veenvlakten, die veelvuldig worden doorsneden door kreek- en dekzandruggen dan wel door kreken en prielen. Op enkele plekken is sprake van veenglooiingen, verlandende of verdrinkende veengebieden en kleinschalige droogmakerijen.

Binnen de veenlandschappen kunnen twee hoofdlandschappen of regios worden onderscheiden:

  • het Noordelijk kustveengebied. Dit vormt de overgang van het noordelijk zand- en keileemgebied naar het noordelijk zeekleigebied, in de Kop van Overijssel, het Friese Merengebied, het Lage Midden van Friesland en de Groningse Woldstreek. Een bijzonder overgangstype vormt het Miedenlandschap met een kenmerkende blok-strookverkaveling
  • het Hollands-Utrechts veengebied: tussen het rivierenlandschap, het zeekleilandschap en de duinen, in de provincies Utrecht, Noord- en Zuid-Holland.


                                     

3.7. Landschapstypes Zandlandschap

Verder van de kust af bleef de Pleistocene ondergrond tijdens het Holoceen vrijwel onaangetast. De zandgebieden bestaan grotendeels uit dekzand- en keileemvlakten, afgewisseld door hogere stuwwallen en keileemruggen. Ze worden doorsneden door kleinschalige beekafzettingen, die soms tot een afzonderlijk landschapstype worden gerekend. Plaatselijk zijn nog veenrestanten en vennetjes aanwezig. Grote delen van het noorden, midden en zuiden van Nederland, in de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg, bestaan uit zulke Pleistocene zandlandschappen. Het grondwaterpeil ligt er lager dan in het westen van Nederland en de grond is armer.

De hoogste en vruchtbaarste delen van het gebied werden vanaf het Neolithicum in cultuur gebracht. De zandgebieden bestonden grotendeels uit zogenaamde woeste gronden, die vrij extensief gebruikt werden om vee te laten grazen, hout te sprokkelen of turf te steken. De akkerbouw vond plaats op centraal gelegen kampen of essen. In Noord-Nederland zijn veel dorpen esdorpen: ze bestaan uit een dorpskern met een es, die door eeuwenlange bemesting vaak een stuk hoger in het landschap is komen te liggen. De laag gelegen gronden in de beek- of rivierdalen waren als grasland in gebruik.

De lagere delen van de dekzand- en keileemvlakten raakten echter - samen met de laagste ruggen - bedekt door metersdik hoogveen, dat sinds de vroege middeleeuwen ontgonnen werd. Hierdoor kwam het zand weer aan de oppervlakte. De middeleeuwse veenontginningen worden zolang er nog een veendek aanwezig is tot de veenlandschappen gerekend. De latere ontginningen waar het veen tot op het zand is afgegraven, vallen volgens de nieuwste indeling onder de zandlandschappen.

Tussen de zandlandschappen bestaan opvallende verschillen, die echter nauwelijks samenvallen met afzonderlijke streken. Voor Noord-Nederland werd vanouds een regionale indeling gehanteerd. Daarnaast werd onderscheid gemaakt tussen lage, middelhoge en hoge zandgronden. Tegenwoordig wordt hier een onderverdeling gemaakt tussen dekzandlandschappen en glaciale landschappen keileemgebied en stuwwallen. Voor Zuid-Nederland, waar stuwwallen en keileem ontbreken, heeft men daarentegen gekozen voor een regionale indeling.

Het gebied kent een flink aantal geologische landschapszones, namelijk: dekzandruggen, -vlakten en -laagten, keileemruggen en -vlakten, hellingen, plateaus, sandrs, smeltwatervlakten, droogdalbodems, beek- en droogdalhellingen, pingoruïnes, rivierduinen, beekdalbodems en veenvlakten. De zandgronden kennen verschillende bodemtypes, meest podzol- en eerdgronden.

Er worden zeven hoofdlandschappen onderscheiden:

  • noordelijke dekzandgebied, met de Gronings-Drentse Veenkolonien, Westerwolde en noordelijk Overijssel Vechtstreek
  • noordelijk zandgebied - een licht glooiend gebied waar keileem en dekzand aan het oppervlak liggen, doorsneden door beekdalen en veenvlakten. Een deel van dit gebied bestaat uit middeleeuwse veenontginningsdorpen ook wel randveen- of woudontginningslandschap genoemd, recente hoogveenontginningen of veenkolonien en enkele hoogveenrestanten, die eerder ook wel als landschapstypes op zich werden beschouwd. Er valt hier onderscheid te maken tussen
  • noordelijk keileemgebied of Drents Plateau, waar keileemvlakten en -ruggen overwegen
  • Midden-Nederlandse zandgebied - een gebied met dekzandvlakten, doorsneden door beekdalen Eemland, Gelderse Vallei en IJsselvallei en omzoomd door vrij hoge stuwwallen het Gooi, Utrechtse Heuvelrug die op de Veluwe een groot en aaneengesloten stuwwallandschap vormen. Deze stuwwallandschappen kenmerken zich door hellingen, plateaus en sandrs
  • Kempisch zandgebied westelijk Noord-Brabant: Baronie, zuidelijke Kempen en omgeving Bergen op Zoom
  • oostelijk zandgebied - een gebied met vrij veel reliefverschil op korte afstand: enkele verspreide stuwwallen met daartussen glooiende dekzandvlakten en -ruggen, doorsneden door beekdalen, rivierduinen en ontgonnen veenvlakten. Twente bestaat gedeeltelijk uit een keileemlandschap. Een deel van de Achterhoek rond Winterswijk het Oost-Nederlands plateau wordt tegenwoordig als voorland van het Duitse Münsterland tot een afzonderlijk hoofdlandschapstype gerekend
  • Peelhorst delen van Noord-Brabant en Limburg: omgeving Cuijk en Kessel
  • zuidelijk zandgebied - een vrij vlak gebied met voornamelijk dekzandvlakten, beekdalen, oude rivierzanden en enkele zandverstuivingen en veenvlakten Noord-Brabant en Limburg. De Peel wordt ook wel tot de hoogveenlandschappen gerekend. Het gebied valt uiteen in de volgende hoofdlandschappen
  • Roerdalslenk
                                     

3.8. Landschapstypes Heuvellandschap

In het Zuid-Limburgse Heuvellandschap ook: Krijt-lösslandschap is sprake van een plateau dat is bedekt met vruchtbare eolische löss uit het Weichselien. Onder de löss ligt krijtgesteente in Limburg mergel genoemd. De Maas heeft zich in dit plateau ingesleten met verschillende rivierterrassen. In de Sint-Pietersberg en de hellingen van het Geuldal zijn door ondergrondse kalksteenwinning gangenstelsels ontstaan, in de volksmond ook wel mergelgrotten genoemd. Het gebied wordt omzoomd door het dal van de Maas en de Hoge Rijnterrassen langs de Duitse grens.

Het gebied wordt onderverdeeld in:

  • zuidelijk lössgebied, ook wel mergel- en lössgebied genoemd Zuid-Limburg
  • noordelijk lössgebied Midden-Limburg
                                     

3.9. Landschapstypes Antropogeen landschap

  • havens en industriegebieden onder andere Rijnmond en Schiphol
  • stadslandschappen
  • recreatiegebieden
                                     

4. Zie ook

  • Regionaal Landschap Vlaanderen
  • Landschapsbescherming
  • Lijst van Nederlandse streken
  • Nationaal Landschap
  • Landschapsbeheer
  • Landschapsmonument
  • Provinciale landschappen natuurbeheerders
                                     

5. Externe links

  • Naturalis Leiden: Geologie van Nederland, Landschappen
  • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Histland ontginningstypen
  • Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed: Agrarische Landschappenkaart
  • Henk Berendsen, Landschappelijk Nederland: fysische geografie powerpoint bij de 4e dr., 2008, herzien 2010
  • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Panorama Landschap landschapstypen, beschreven in 78 regios
  • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Landschappen in Nederland overige kaarten, bronnen en publicaties
  • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Archeologische Landschappenkaart
  • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Cultuurhistorisch GIS CultGIS: indeling van de Werkgroep Landschapstypologie, ca. 1989
                                     

6. Literatuur

  • Renes, J. 2011: Op zoek naar de geschiedenis van het landschap, Verloren
  • Renes, J. 1982: Typologieen van bewonings- en perceelsvormen. Een overzicht van bestaand werk in Nederland en buurlanden, Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, p. 5-26
  • Berendsen, H.J.A. 2008: Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regios, Van Gorkum
  • Bont, C. de ; Renes, J. 1988: De historisch-landschappelijke kaart van Nederland, schaal 1:50.000. Legenda en proefkarteringen, Pudoc
  • Barends, S. e.a. red. 2005: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering, Matrijs
  • Baas, H. ; Raap, E. 2017: Panorama Landschap. Karakterisering Nederlands Landschap in 78 regio’s, RCE
  • Jongmans, A.G. et al 2012: Landschappen van Nederland. Geologie, bodem en landgebruik, 2 delen, Wageningen Academic Publishers
  • Berendsen, H.J.A. 2008: Landschap in delen. Overzicht van de geofactoren, Van Gorkum
  • Wolff, W.J. red. 1989, De internationale betekenis van de Nederlandse natuur. Een verkenning, SDU uitgeverij
  • Keuning, H.J. 1946: De historisch-geografische landschappen van Nederland, Noorduijn en zoon, zie ook de bijbehorende kaart
Free and no ads
no need to download or install

Pino - logical board game which is based on tactics and strategy. In general this is a remix of chess, checkers and corners. The game develops imagination, concentration, teaches how to solve tasks, plan their own actions and of course to think logically. It does not matter how much pieces you have, the main thing is how they are placement!

online intellectual game →