Back

ⓘ Nederlandse grammatica



                                     

ⓘ Nederlandse grammatica

Wanneer een zin vragend is, treedt normaal gesproken inversie op, wat betekent dat onderwerp en persoonsvorm van plek worden verwisseld:

Heeft Pieter Jasper gisteren in de tuin een appel gegeven?

Wanneer het onderwerp toch vóór de persoonsvorm staat in een vragende zin, impliceert dat vaak een controlevraag:

Pieter heeft Jasper gisteren in de tuin een appel gegeven?

In deze laatste vorm is de intonatie van een of meer laatste woorden, namelijk hoger dan de rest, erg belangrijk. Hierdoor is het voor de luisteraar duidelijk dat het een vraag betreft en geen gegeven feit.

                                     

1. Werkwoorden

Zoals in de meeste Germaanse talen zijn de werkwoorden naar vervoeging in drie klassen onder te verdelen: sterk, zwak en onregelmatig.

Onregelmatige werkwoorden

De belangrijkste onregelmatige werkwoorden zijn hebben, kunnen, mogen, willen, zijn en zullen.

                                     

1.1. Werkwoorden Sterke werkwoorden

Van sterke werkwoorden dient men drie vormen te kennen: de infinitief ofwel het hele werkwoord, de onvoltooid verleden tijd en het voltooid deelwoord.

Hieronder volgt als voorbeeld de vervoeging van het sterke werkwoord binden: binden – bond – gebonden

Nederlandse sterke werkwoorden worden in de tegenwoordige tijd o.t.t. op dezelfde manier vervoegd als zwakke. In de onvoltooid verleden tijd krijgt alleen de meervoudsvorm een uitgang -en, de andere vormen krijgen géén uitgang in de verleden tijd.

                                     

1.2. Werkwoorden Onregelmatige werkwoorden

De belangrijkste onregelmatige werkwoorden zijn hebben, kunnen, mogen, willen, zijn en zullen.

                                     

2. Zelfstandige naamwoorden

De belangrijkste verbuigingen zijn de meervoudsvorm en de verkleinvorm van zelfstandige naamwoorden.

Uitzonderingen

Op bovenstaande regels zijn een aantal uitzonderingen. Zie daarvoor de lijst van onregelmatige meervouden.

                                     

2.1. Zelfstandige naamwoorden Zelfstandig naamwoord eindigend op een klinker

Zelfstandig naamwoorden die eindigen op een klinker krijgen als regel de uitgang -s in het meervoud:

agente – agente s bureau – bureau s groente – gronte s, maar ook: groent en

Wanneer verwarring zou kunnen ontstaan over de uitspraak van het meervoud wordt de uitgang -s voorafgegaan door een apostrof:

radio – radio s baby – baby s taxi – taxi s

Zelfstandige naamwoorden die eindigen op -ie of -ij en waarvan de klemtoon op de laatste lettergreep ligt, krijgen de uitgang -en in het meervoud:

boerderij – boerderij en categorie – categorie en
                                     

2.2. Zelfstandige naamwoorden Uitzonderingen

Op bovenstaande regels zijn een aantal uitzonderingen. Zie daarvoor de lijst van onregelmatige meervouden.

                                     

2.3. Zelfstandige naamwoorden Verkleinvorm

Zelfstandig naamwoorden kunnen verkleind worden door de uitgang -je achter het zelfstandig naamwoord te plaatsen:

klas – klas je

Soms treedt klankverandering op:

glas – glaas je

In het zuidelijk deel van het Nederlandse taalgebied worden zelfstandige naamwoorden veeleer verkleind door de uitgangen -ke en -ken achter het zelfstandig naamwoord te plaatsen:

glas – glas ke n

Wanneer een zelfstandig naamwoord eindigt op een klinker of op een van de medeklinkers l, en r en de laatste lettergreep bevat een lange klinker of een sjwa, krijgt de verkleinvorm de uitgang -tje:

radio – radioo tje paal – paal tje fietser – fietser tje

Maar gaat het om een woord dat bestaat uit één lettergreep met een korte klinker, dan wordt de uitgang -etje:

pal – pall etje

Wanneer een zelfstandig naamwoord eindigt op een m die wordt voorafgegaan door een lange klinker krijgt de verkleinvorm de uitgang -pje:

raam – raam pje

Wanneer een twee- of meerlettergrepig zelfstandig naamwoord eindigt op ing krijgt de verkleinvorm doorgaans de uitgang -kje waarbij de g komt te vervallen:

buiging – buigin kje

Maar:

hebbeding – hebbedingetje van: ding – dingetje

en ook:

verandering – veranderingetje slappeling – slappelingetje

Uitzondering: Wanneer de laatste lettergreep van een zelfstandig naamwoord eindigend op l, m, n, ng of r een korte klinker bevat, krijgt het verkleinwoord de uitgang -etje:

lam – lam metje kar – kar retje gang – gang etje


                                     

2.4. Zelfstandige naamwoorden Naamvallen

In oudere fasen van het Nederlands werden in de geschreven taal naamvallen gebruikt. Tegenwoordig bestaan deze nagenoeg alleen nog in versteende taalvormen. Een aan de tweede naamval verwante vorm, de Saksische genitief, kent nog wel een actief gebruik.

                                     

3.1. Lidwoorden Bepaalde lidwoorden

Het Nederlands kent twee bepaalde of bepalende lidwoorden:

  • het, onzijdig. In gesproken taal vaak klemtoonloos uitgesproken als t.
  • de, mannelijk of vrouwelijk overkoepelend ook wel "zijdig" genoemd

Het wordt enkel gebruikt voor een enkelvoudig onzijdig woord. Om een meervoud aan te duiden wordt altijd de gebruikt. Voorbeelden:

  • het gebouw onzijdig enkelvoud - de gebouwen
  • de sleutel - de sleutels
  • het bos onzijdig enkelvoud - de bossen
  • de vakantie vrouwelijk enkelvoud - de vakanties
  • de boom mannelijk enkelvoud - de bomen
                                     

3.2. Lidwoorden Onbepaald lidwoord

Het Nederlands kent slechts één onbepaald of onbepalend lidwoord:

  • een, in gesproken taal vaak uitgesproken als n.

Het onbepaalde lidwoord een wordt in het Nederlands alleen gebruikt voor een enkelvoud, om een onbepaald meervoud aan te duiden wordt simpelweg géén lidwoord gebruikt. Voorbeeld:

  • Daar staan huizen onbepaald meervoud, dus geen lidwoord
  • Daar staat een huis onbepaald enkelvoud, dus een

De zuidelijke dialecten van het Nederlands kennen drie onbepaalde lidwoorden:

  • e voor een onbepaald onzijdig enkelvoud e kind
  • een voor een onbepaald vrouwelijk enkelvoud een vrouw
  • ne of nen voor een onbepaald mannelijk enkelvoud ne man
                                     

3.3. Lidwoorden Ontkennend lidwoord

Het ontkennend lidwoord geen duidt op de afwezigheid van iets of op een ontkenning:

  • We hebben geen kaas meer duidt op de afwezigheid van kaas
  • Dat is geen goede grap Dat is niet een goede grap
                                     

3.4. Lidwoorden Verbuiging lidwoorden

Daarnaast kent het Nederlands nog enkele oudere verbuigingsparadigmas die gedicteerd worden door vier traditionele naamvallen. In principe worden de bezittelijke voornaamwoorden en het ontkennend lidwoord geen vervoegd zoals het onbepaalde lidwoord een, bijvoorbeeld: Dat is zijn s inzien s een slecht idee een s inzien s. In het meervoud bestaat er geen onbepaald lidwoord in het Nederlands, daarom is in het schema het woord geen gebruikt.

Verbogen lidwoorden worden nauwelijks nog gebruikt daarom staan de oorspronkelijke verbuigingen tussen haakjes in het schema. Sinds de jaren tachtig is bijvoorbeeld commissaris van de Koningin gangbaarder dan commissaris der Koningin of des Konings CdK. Bij procureur des Konings heeft de oude vorm daarentegen standgehouden, net als in bepaalde namen en staande uitdrukkingen:

  • s- Hertogenbosch des Hertogen bosch, ook wel Den Bosch
  • Den Helder
  • Het Koninkrijk der Nederlanden
  • ten enenmale
  • De vader des vaderlands

Verbogen lidwoorden worden wel volop gebruikt in bijvoorbeeld de GBS-Bijbel.



                                     

3.5. Lidwoorden Lidwoord voor een bezittelijk voornaamwoord

Bij een aantal zelfstandig gebruikte bezittelijke voornaamwoorden, waaronder mijne, jouwe, zijne, hare, onze en hunne, kunnen ook lidwoorden staan.

  • Dat huis is het mijne.
  • Mijn zus is groter dan de jouwe.
                                     

3.6. Lidwoorden Andere regels

  • Bij samengestelde woorden wordt altijd het lidwoord gebruikt van het grondwoord. Meestal is dit het laatste deel van de samenstelling. Bijvoorbeeld: de krant + het artikel → het krantenartikel ; het boek + de kaft → de boekenkaft. Hetzelfde gebeurt bij letterwoorden.
  • Zelfstandige naamwoorden kunnen een specifieke uitgang hebben waardoor hun geslacht wordt bepaald.
                                     

4. Bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijke naamwoorden zijn onder te verdelen in de volgende subcategorieen:

Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord -en gouden ring - houten tafel Uitgezonderd predicatieve bijvoeglijke naamwoorden Dit is goud - Dat is hout attributief met achtervoegsel -e Het groene handvat - De intelligente vrouw - De lange man Een intelligente vrouw - Een lange man uitgezonderd zijn bijvoeglijke naamwoorden bij een onzijdig zelfstandig naamwoord zonder lidwoord of met een onbepaald lidwoord: Een groen handvat - Klein kind is spoorloos verdwenen predicatief zonder uitgang Een handvat is groen - Een vrouw is intelligent - Een man is lang Versteende taalvormen In tal van versteende taalvormen zijn oude naamvalsuitgangen in gebruik gebleven: met voorbedachte n rade - in levende n lijve
                                     

4.1. Bijvoeglijke naamwoorden Plaatsing

Een bijvoeglijk naamwoord wordt in het Nederlands altijd vóór het naamwoord waar het betrekking op heeft meestal een zelfstandig naamwoord of eigennaam geplaatst. Een eventueel lidwoord staat op zijn beurt vóór het bijvoeglijk naamwoord:

Een lekkere maaltijd. Een vieze man.
                                     

4.2. Bijvoeglijke naamwoorden Verbuigingen

Bijvoeglijke naamwoorden krijgen in principe de uitgang -e:

De lekker e maaltijd.

Er zijn vier situaties waarin een bijvoeglijk naamwoord deze uitgang niet krijgt:

1. Wanneer het onderwerp onzijdig enkelvoud is krijgt het bijvoeglijk naamwoord bij de onbepaalde vorm géén uitgang:

Een mooi meisje Bij de bepaalde vorm krijgt het bijvoeglijk naamwoord gewoon de uitgang -e: Het mooi e meisje

2. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een materiaal aanduidt krijgt het de uitgang -en:

De hout en stoel

3. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een essentieel deel is van de combinatie met het zelfstandig naamwoord, krijgt het geen -e. Bijvoorbeeld:

Het openbaar vervoer Het lijdend voorwerp

4. Soms wordt tussen een onbepaald lidwoord en het zelfstandig naamwoord een vorm van het bijvoeglijk naamwoord zonder -e gebruikt. In dat geval drukt het een bewonderenswaardige eigenschap uit:

Een groot man Een talentvol schrijver


                                     

4.3. Bijvoeglijke naamwoorden Trappen van vergelijking

Het bijvoeglijk naamwoord kan drie vormen aannemen om de "sterkte" aan te geven. Deze trappen van vergelijking worden in de regel gevormd door de achtervoegsels -er en -st aan het bijvoeglijk naamwoord te hechten. Bijvoeglijke naamwoorden die op -r eindigen, krijgen in de vergrotende trap een tussengevoegde -d- bijvoorbeeld raar – raarder, ver – verder.

Voorbeelden:

  • oud – ouder – oudst.
  • groot – groter – grootst
  • belangrijk – belangrijker – belangrijkst

Een aantal veel voorkomende bijvoeglijke naamwoorden vormen hun trappen van vergelijking onregelmatig, met suppletie:

  • graag – liever – liefst.
  • goed – beter – best
  • weinig – minder – minst
  • veel – meer – meest

Woorden die een samenstelling zijn van bijwoord een bijvoeglijk naamwoord worden gesplitst. Alleen het bijwoord verschijnt dan in de vergrotende of overtreffende trap:

  • dichtbevolkt – dichter bevolkt – dichtst bevolkt.

Bij woorden die al een uiterste aanduiden worden vaak geen trappen van vergelijking gevormd. Algemener gezegd: er zijn meestal geen gradaties van termen die inhoudelijk een dichotomie vormen, wat het geval is wanneer iets een zekere eigenschap heeft of niet en er geen tussenweg bestaat. Het algemeen bekende voorbeeld daarvan is "zwangerschap". Men kan niet een beetje of heel erg zwanger zijn en alle termen die een uiterste aanduiden vallen ook in die categorie: iets heeft die uiterste staat of heeft deze niet en daarom is er geen tussenweg, geen gradatie.

Desondanks worden bij sommige van dergelijke woorden toch trappen van vergelijking gevormd. Voorbeelden zijn "de meer/meest ideale" of "minder ideaal", terwijl het "ideale" doorgaans al het hoogst denkbare is. Ook "heel uniek" is een voorbeeld, met de gedachte dat als iets uniek is, dat er maar een van bestaat.

                                     

4.4. Bijvoeglijke naamwoorden Gebruik van meer of meest

In sommige gevallen wordt standaard de toevoeging meer of meest gebruikt. Een voorbeeld is wanneer het een meer bijwoordelijke functie heeft:

  • Ze zijn meer bereid tot extra financiele steun dan tot een wijziging van het beleid.

Ook bij voltooide deelwoorden die bijvoeglijk worden gebruikt:

  • Zij is de meest verdorven persoon die ik ooit ontmoet heb.

In het Nederlands wordt dus traditioneel de voorkeur gegeven aan een niet-samengestelde constructie. Er valt onder Nederlandstaligen echter een trend waar te nemen om, tenminste in het mondeling taalgebruik, de Engelse regels toe te passen: meest bekende in plaats van bekendste, e.d. Het gebruik van uitdrukkingen als de tweede grootste in plaats van het van oudsher gebruikelijke de op een na grootste wijst ook op dat fenomeen. Dit gebruik lijkt zich tevens uit te breiden tot constructies die in het Engels niet voorkomen, zoals meest goede in plaats van beste.

                                     

4.5. Bijvoeglijke naamwoorden Substantivering

Substantiveren gebeurt door het toevoegen van de uitgang -de grootte, of met bepaalde achtervoegsels zoals -heid, -te en -nis.

                                     

5. Voornaamwoorden

Zie ook voornaamwoord

Bijvoeglijk

  • mijn mn
  • me wordt alleen in sommige spreektaaldialecten gebruikt.

Bijvoeglijk

  • De mannelijke en onzijdige vorm. Ze komt alleen in de spreektaal voor.
  • zijn zn, ze
  • De vrouwelijke vorm. In archaïsch Nederlands komt ook de vorm heur voor.
  • haar r, dr

Zelfstandig

  • jullie heeft geen zelfstandige vorm: "die van jullie"
  • de/het uwe

Bijvoeglijk

  • In archaïsch Nederlands komt haar of heur ook voor als vrouwelijke vorm.
  • hun r, dr
                                     

5.1. Voornaamwoorden Persoonlijke voornaamwoorden

In het Nederlands is de vorm van het persoonlijk voornaamwoord afhankelijk van het perspectief, het aantal en bij de derde persoon ook het geslacht. Bij de tweede persoon bestaat een aparte beleefdheidsvorm. Bijna alle vormen kennen een gereduceerde vorm, dat wil zeggen een niet-beklemtoonde vorm die dichter bij de spreektaal ligt. De gereduceerde vorm staat hieronder steeds tussen haakjes.

* wordt meestal niet geschreven † verouderd ‡ Vlaams ¶ niet na een voorzetsel
                                     

5.2. Voornaamwoorden Meervoud

De eerste persoon enkelvoud ik duidt op de spreker zelf. De betekenis van het meervoud wij is: ik een of meer andere personen. Die andere persoonen kan/kunnen de aangesprokenen zijn, maar ook niet-aanwezige anderen, afhankelijk van de gegeven situatie.

Wij kan dus betekenen:

  • ik een of meer anderen
  • ik en jij
  • ik en jullie

De tweede persoon jij of u duidt op de aangesproken persoon. Het meervoud jullie kan betrekking hebben op de aangesproken persoonen en dat is een nauwkeurig meervoud. Het kan echter ook betrekking hebben op anderen die niet lijfelijk aanwezig zijn, afhankelijk van de gegeven situatie.

Jullie kan dus betekenen:

  • jij 1 en jij 2
  • jij een of meer anderen
                                     

5.3. Voornaamwoorden Bezittelijke voornaamwoorden

De vorm van het bezittelijk voornaamwoord is afhankelijk van de persoon en het aantal. Bijna alle vormen kennen naast de standaardvorm een gereduceerde vorm, dat wil zeggen een vorm die dichter bij de spreektaal ligt. De gereduceerde vorm staat hieronder steeds tussen haakjes.

                                     

5.4. Voornaamwoorden Bijvoeglijk

  • mijn mn
  • me wordt alleen in sommige spreektaaldialecten gebruikt.
                                     

5.5. Voornaamwoorden Bijvoeglijk

  • De mannelijke en onzijdige vorm. Ze komt alleen in de spreektaal voor.
  • zijn zn, ze
  • De vrouwelijke vorm. In archaïsch Nederlands komt ook de vorm heur voor.
  • haar r, dr
                                     

5.6. Voornaamwoorden Bijvoeglijk

  • onze kat een mannelijk of vrouwelijk zelfstandig naamwoord
  • Het gebruik van ons of onze is afhankelijk van het bijbehorend zelfstandig naamwoord
  • ons huis een onzijdig zelfstandig naamwoord
  • ons, onze
                                     

5.7. Voornaamwoorden Bijvoeglijk

  • uw
  • jullie
  • uw is de beleefdheidsvorm. Dit wordt soms ook binnen een zin met een hoofdletter geschreven. Dit gebeurt in het algemeen alleen als het om religieuze entiteiten God, Jezus e.d. gaat. In alle andere gevallen behoort het met een kleine letter te worden geschreven. De schrijfwijze met hoofdletter U, Uw enz. is verouderd.
                                     

5.8. Voornaamwoorden Zelfstandig

  • jullie heeft geen zelfstandige vorm: "die van jullie"
  • de/het uwe
                                     

5.9. Voornaamwoorden Bijvoeglijk

  • In archaïsch Nederlands komt haar of heur ook voor als vrouwelijke vorm.
  • hun r, dr
                                     

5.10. Voornaamwoorden Wederkerende voornaamwoorden

Het wederkerend voornaamwoord verwijst naar het onderwerp van de zin zelf. Dit kan voorkomen als een handeling slaat op het onderwerp of als het werkwoord zelf wederkerend een zg. wederkerend werkwoord is.

  • Hij bemoeit zich met de buren. vgl. de onjuiste zin: Hij bemoeit de kat met de buren.
  • Hij wast zich. vgl: Hij wast de kat.
                                     

5.11. Voornaamwoorden Vormen

  • 2e persoon enkelvoud: je jezelf, u uzelf, zich zichzelf
  • 1e persoon enkelvoud: me mezelf, mij mijzelf
  • U is de beleefdheidsvorm.
  • 3e persoon meervoud: zich zichzelf
  • 2e persoon meervoud: je, jezelf, u uzelf, zich zichzelf
  • 1e persoon meervoud: ons onszelf
  • 3e persoon enkelvoud: zich zichzelf

De zelf -vorm wordt soms gebruikt bij niet-wederkerende werkwoorden, meestal om wat nadruk te geven.

  • Hij wast zich.
  • Hij wast zichzelf.

In sommige gevallen is de zelf -vorm echter de enige toegestane:

  • Hij sloeg de hand aan zichzelf. vgl. de onjuiste zin: Hij sloeg de hand aan zich.

De vormen henzelf en hunzelf komen in standaardtaal niet voor als wederkerende of wederkerige vormen van hen en hun. Het wederkerend gebruik van hunzelf is dialectaal.

                                     

5.12. Voornaamwoorden Alternatieven

Naast zich zijn of waren er in het Nederlands nog enkele andere wederkerende voornaamwoorden. In sommige dialecten kan zich in alle personen worden vervangen door de constructie "bezittelijk voornaamwoord + eigen":

  • Hij wast zijn/ zn eigen.
  • Ik was mijn/ mn eigen.

De voorwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord vervulde in het Middelnederlands de functie van wederkerend voornaamwoord: hem mannelijk en onzijdig, hare vrouwelijk hen meervoud. Voorbeeld: hij wast hem. Ook in het West-Vlaams dialect komt deze constructie nog voor: "Je wast em".

                                     

5.13. Voornaamwoorden Met en zonder

Enkele werkwoorden kunnen zowel met als zonder wederkerend voornaamwoord worden vervoegd, zoals:

  • bedenken = "verzinnen" Ik bedenk een verhaal.
  • zich bedenken = "terugkomen op een eerder genomen besluit" Ik wilde het doen, maar ik bedenk me nu.

In de betekenis van "een idee hebben/krijgen" kan bedenken zowel wederkerend als niet-wederkerend worden vervoegd, waarbij de wederkerende vorm als feitelijke fout wordt gezien, maar nauwelijks nog als zodanig ervaren:

  • Ik bedenk me net dat het goed is om hier iets over te schrijven.
  • Ik bedenk me net dat het gas nog aanstaat.
                                     

5.14. Voornaamwoorden Wederkerige voornaamwoorden

Het Nederlands kent vier wederkerige voornaamwoorden: elkaar, elkander, mekaar en mekander. In de praktijk betekenen deze vormen hetzelfde. Het gebruik is echter sterk registerbepaald. In de standaardtaal is elkaar het gebruikelijkst:

  • Ze geven elkaar de schuld.

De vorm mekaar is informeler, elkander en mekander behoren tot een meer verheven/literaire stijl.

                                     

5.15. Voornaamwoorden Verwijzing naar zelfstandignaamwoordgroepen

Naar zelfstandignaamwoordgroepen wordt doorgaans verwezen met een van de betrekkelijke voornaamwoorden die, dat, wat en wie.

  • De vorm die verwijst naar een zelfstandignaamwoordgroep in het meervoud of naar een zelfstandignaamwoordgroep met niet-onzijdig geslacht
Zij kent een paar mensen die nog nooit buiten hun provincie zijn geweest. Waar is de cd die je voor je verjaardag hebt gekregen?

Echter: wie is het meewerkend voorwerp in de bijzin en verwijst naar personen. Het komt niet zo veel meer voor: vaak wordt ook hier die of aan wie gebruikt:

De rechters wie de vraag was voorgelegd, spraken zich duidelijk uit.
  • De vorm dat verwijst naar een zelfstandignaamwoordgroep met onzijdig woordgeslacht
Daar ligt het boek dat ik aan Marie wilde geven. Zij is een meisje dat weet wat er in de wereld te koop is.

De vorm dat wordt vaak vervangen door wat het boek wat. Dat gebruik wordt door taaladviseurs sterk afgeraden. De vorm dat met als antecedent een natuurlijke persoon wordt bij een groeiend aantal sprekers, voornamelijk mensen die de Nederlandse taal nog aan het leren zijn, vervangen door die een meisje die. De combinatie van het betrekkelijk voornaamwoord dat met een voorzetsel wordt vervangen door een voornaamwoordelijk bijwoord met waar als eerste lid:

Daar ligt het boek waarmee ik Marie wilde verrassen. en niet. *met wat ik Marie wilde verrassen.
  • De vorm wie heeft als antecedent een biologische persoon en wordt gebruikt na een voorzetsel
Daar komt de vrouw met wie ik heb gesproken.

Ook de combinatie van het betrekkelijk voornaamwoord wie met een voorzetsel kan worden vervangen door een voornaamwoordelijk bijwoord met waar als eerste lid, maar taaladviseurs raden aan de vorm met wie te handhaven. Dus liever niet. waarmee ik heb gesproken.

Andere, minder gebruikelijke, betrekkelijke voornaamwoorden zijn:

  • dewelke en hetwelk
Vraag maar niet naar de zaken welke wij hebben besproken. Alles verbleekt bij het genoegen hetwelk ik smaak bij de aanblik van haar gelaat.
                                     

5.16. Voornaamwoorden Ingesloten antecedent

Met een niet-expliciet genoemd antecedent ingesloten antecedent worden doorgaans wie voor personen, wat en hetgeen in andere gevallen gebruikt:

Wie = de persoon die daar woont, moet wel gelukkig zijn. Ze vertelde me wat = het ding dat ze in de vakantie ging doen. Ze vertelde me hetgeen ze in de vakantie ging doen.
                                     

5.17. Voornaamwoorden De vorm wat

Taaladviseurs raden aan het betrekkelijk voornaamwoord wat alleen te gebruiken in de volgende situaties:

  • Het antecedent is een als zelfstandig naamwoord gebruikt bijvoeglijk naamwoord bijvoorbeeld een superlatief.
Het leukste wat ik ooit heb meegemaakt was mijn geboorte.
  • Het antecedent is een hele zin.
Ze vertelde dat ze ging scheiden, wat ons zeer choqueerde.
  • Het antecedent is een van de onbepaald voornaamwoorden alles, iets en niets hierbij kan tevens dat als betrekkelijk voornaamwoord worden gebruikt.
Alles wat ik doe mislukt! Is er iets wat ik voor je kan doen?
  • Het antecedent is zelf ook een voornaamwoord
Hij gaf precies dat wat ik wilde hebben.
                                     

5.18. Voornaamwoorden De vormen van de tweede naamval

De betrekkelijke voornaamwoorden wiens, wier, welks en welker zijn vormen van de tweede naamval. Ze worden tegenwoordig minder gebruikt dan vroeger, en het gebruik beperkt zich voornamelijk tot de geschreven taal. Ze hebben als synoniemen van wie en waarvan.

  • Wiens en welks verwijzen naar enkelvoudige woordgroepen met het mannelijke of onzijdige woordgeslacht. Welks kan alleen worden gebruikt wanneer het antecedent geen persoon is.
De man wiens auto ik iedere zondag waste, bleek een misdadiger te zijn. Deze mededeling wekte zichtbare beroering in de Raad, welks voorzitter ook enigszins onthutst scheen.

De vorm wiens wordt ook steeds meer gebruikt om te verwijzen naar meervoudige en vrouwelijke woorden. Dat gebruik is niet algemeen aanvaard.

  • Wier en welker worden gebruikt als het antecedent een meervoud of enkelvoudige woordgroep met het vrouwelijke woordgeslacht is. Welker kan alleen worden gebruikt wanneer het antecedent geen persoon is.
De vrouw wier man vorig jaar overleed, is niet van plan te hertrouwen. Die hoge toon misstaat een regering wier/welker bijdrage aan het vredesproces zo gering is. De mannen/vrouwen wier visa ontbraken, werden uit de bus gehaald.

Wier wordt ook gebruikt voor niet-vrouwelijke woordgroepen die verwijzen naar een persoon met vrouwelijk biologisch geslacht:

De redactie sprak met een meisje wier vriend in de gevangenis zat.
                                     

5.19. Voornaamwoorden Zelfstandig gebruik

Een zelfstandig gebruikt onbepaald voornaamwoord staat los van andere voornaamwoorden. Het is dus niet bijvoeglijk:

  • Iedereen gaat naar huis.

Voorbeelden van andere zelfstandig te gebruiken onbepaalde voornaamwoorden:

alleman, alles, iemand, iets, het beste
                                     

5.20. Voornaamwoorden Niet-zelfstandig gebruik

Een niet-zelfstandig maar bijvoeglijk gebruikt onbepaald voornaamwoord zegt iets over een ander hoofdwoord, waar het meestal meteen voor staat:

  • Iedere deelnemer gaat naar huis.

Voorbeelden van andere niet-zelfstandig te gebruiken onbepaalde voornaamwoorden

alle, elke, iemands, iedere, deze of gene, de een of ander
                                     

5.21. Voornaamwoorden Collectiverend en niet-collectiverend

Met collectiverend gebruik wordt bedoeld dat het onbepaalde voornaamwoord een verzameling aanduidt:

  • Wij gingen allen/allemaal naar huis.

Voorbeelden van andere collectiverend te gebruiken onbepaalde voornaamwoorden

iedere, elke, allen

Als zon onbepaald voornaamwoord verwijst naar personen die niet in dezelfde zin worden genoemd, wordt de uitgang -n toegevoegd. In andere gevallen dus wanneer het antecedent in dezelfde zin staat en bij zaakverwijzingen vervalt deze uitgang:

  • Alle kinderen moeten naar school. Wel zijn er altijd enkelen die spijbelen.
  • Geldt dat in alle gevallen? Nee, slechts in enkele.
  • Buiten spelen enkele kinderen.

Daarnaast bestaan er niet-collectiverende onbepaalde voornaamwoorden:

  • Iemand wil ons iets vertellen

Voorbeelden van andere niet-collectiverend te gebruiken onbepaalde voornaamwoorden:

de een of de andere, deze of gene, iemand, iets
                                     

5.22. Voornaamwoorden Het als onbepaald voornaamwoord

Het woord het is een onbepaald voornaamwoord als het naar iets wat onbepaald is verwijst. Als het naar iets wat bepaald is verwijst, is het een persoonlijk voornaamwoord. In de volgende zinnen is het woord het vetgedrukt als het een onbepaald voornaamwoord is en schuingedrukt als het een persoonlijk voornaamwoord is.

Het is buiten mistig. want je kunt niets vinden waar het op slaat

Het boek is leuk. Het heeft vooral een spannend einde. want het slaat terug op het boek

Het gaat wel. want ook hier kun je niets vinden waar het op slaat

We gingen het bos in. Het was eng. want het slaat op dat we het bos in gingen

                                     

5.23. Voornaamwoorden Je als onbepaald voornaamwoord

Het woord je wordt als een onbepaald voornaamwoord beschouwd als het ongeveer hetzelfde betekent als men. In het volgende voorbeeld is je vetgedrukt als onbepaald voornaamwoord en schuingedrukt als persoonlijk voornaamwoord.

Je hebt in Europa genoeg te eten. Nu bedoelt de spreker: Men heeft in Europa genoeg te eten

Je hebt in Europa genoeg te eten. Nu richt de spreker tot één persoon, en bedoelt dus: Jij hebt in Europa genoeg te eten

                                     

6. Voorzetsels

Voorzetsels spelen in het Nederlands – evenals in veel andere talen met geen of weinig naamvallen – een belangrijke rol. Ze kunnen een tijd of plaats aangeven, maar ook een oorzaak, reden of middel. Ze staan meestal direct voor het naamwoord of de naamwoordgroep waar ze bij horen, maar soms ook erachter.

                                     

7. Bijwoorden

Als een bijwoord betrekking heeft op een werkwoord, wordt het achter het betrokken werkwoord geplaatst.

Hij schrijft veel in Wikipedia.

Als een bijwoord betrekking heeft op een bijvoeglijk naamwoord of op een ander bijwoord, wordt het vóór het betreffende woord geplaatst.

Het is een erg boeiende discussie. Gerard liep zeer snel.

Als een bijwoord informatie over tijd of plaats geeft, heeft dit geen vaste plaats in de zin, aangezien het bijwoord meestal geen betrekking heeft op een ander woord.

Ik heb altijd al van kaas gehouden. Mijn moeder heeft mijn vader overal gezocht.

Een bijwoord wordt altijd als één woord geschreven, ook als het bestaat uit elementen die in andere gevallen als afzonderlijke woorden voorkomen.

                                     

7.1. Bijwoorden Verbogen vormen

Wanneer de bijwoorden heel, erg en echt voor een verbogen bijvoeglijk naamwoord staan, kunnen ze in de spreektaal ook een eind-e krijgen:

Hele mooie muziek. Erge leuke schoenen. Een echte fijne vent.

Deze verbogen vormen hele, erge en echte suggereren strikt genomen dat het niet om bijwoorden maar om bijvoeglijke naamwoorden gaat, dat wil zeggen mooie muziek die heel is in plaats van muziek die heel mooi is enz. Hoewel zulke woordgroepen volgens de schoolgrammatica niet juist zijn en in verzorgde schrijftaal worden vermeden, worden ze in de spreektaal toch veel gebruikt, waarbij sommigen dit niet als onverzorgd ervaren.

                                     

8. Er

Het woordje er heeft meerdere functies en kan zowel een bijwoord als een persoonlijk voornaamwoord zijn.

  • Er kan voorlopig onderwerp zijn
  • Er zit een kat in de tuin.
  • Als er een persoonlijk voornaamwoord is, verwijst het soms ook naar een hoeveelheid en wordt dan veelal gecombineerd met van een kwantor
  • Daar zie ik centen. Ik pak er tien Ik pak er tien van.
  • Heb jij maar één bloem? Ik heb er veel Ik heb er veel van.
  • Als er bijwoord is, fungeert het als bepaling van plaats
  • Ik heb er gewoond.
  • Hij is er.
  • In andere gevallen valt er niet of nauwelijks een betekenis aan toe te kennen. Dit is vaak zo in vraagzinnen
  • Wie is er bang voor Virginia Woolf?
  • Heeft er iemand een pen?
  • Wie heeft er nou geen fietsen geleerd?
                                     

9. Externe link

  • E-ANS: de elektronische ANS: elektronische versie van de tweede, herziene editie van de Algemene Nederlandse Spraakkunst ANS uit 1997.
  • Webwoordenboek: een digitaal Nederlandstalig woordenboek ter ondersteuning van taalgebruikers bij het eigentijdse Nederlands.
Free and no ads
no need to download or install

Pino - logical board game which is based on tactics and strategy. In general this is a remix of chess, checkers and corners. The game develops imagination, concentration, teaches how to solve tasks, plan their own actions and of course to think logically. It does not matter how much pieces you have, the main thing is how they are placement!

online intellectual game →